Home / Actueel / Opkikker

Opkikker voor amfibieën en reptielen

Goed nieuws voor wie reptielen en amfibieën een warm hart toedraagt: het is niet al te moeilijk om een geschikte leefomgeving voor deze dieren te maken. Ze hebben een voorliefde voor (behoorlijk) schoon water en een biodiverse omgeving. Heb je ze op je terrein, dan zegt dat dus iets over de waterkwaliteit en de biodiversiteit ter plekke.

 

Eerst even dit: hoewel reptielen en amfibieën vaak in één adem worden genoemd, zijn het twee totaal verschillende soortgroepen. Reptielen – we hebben in Nederland vier inheemse hagedissoorten en drie inheemse slangsoorten – hebben een dikke, geschubde huid. Drie van de zeven inheemse reptielsoorten zijn eilevendbarend. Bij hen ontwikkelt het reptielenjong zich in een eizak in het lichaam van de moeder. Als het tijd is, vallen ze met eizak en al uit de moeder en kruipen uit de zak. De overige soorten leggen eieren met een leerachtige, flexibele schaal, waaruit het minireptiel wordt geboren.

 

Amfibieën daarentegen beginnen hun leven als larve of kikkervisje. Ze zijn, zeker voor hun voortplanting, waterafhankelijk en leggen hun eitjes in een beschermde, waterhoudende substantie in een vijver of poel. Ze hebben bovendien een dunne, waterdoorlatende en gladde huid met kieuwen. Er leven in ons land elf soorten inheemse kikkers en padden en vijf salamandersoorten.

 

Kijk naar de omgeving

André Geelhoed, ecoloog bij NLadviseurs: “Wil je meer amfibieën en reptielen in je omgeving, richt je dan op de soorten die er al voorkomen. Een terrein staat immers niet op zichzelf, het is altijd onderdeel van het omliggende landschap. Ik zeg altijd dat je niet kunt stellen dat je een soort ‘hebt’, maar dat jouw terrein onderdeel is van het leefgebied van die soort.” Voor reptielen geldt dat ze redelijk zeldzaam en sterk regiogebonden zijn. De muurhagedis komt bijvoorbeeld alleen voor op een paar plekken in Zuid-Limburg. De gladde slang leeft alleen op zandgronden op plaatsen met structuurrijke heide. De levendbarende hagedis, ringslang, zandhagedis en hazelworm zijn de meest voorkomende reptielsoorten in Nederland. De meeste amfibieën zijn veel minder zeldzaam. Zeker de kleine watersalamander, gewone pad, bruine kikker en groene kikkers als de bastaardkikker doen het in heel Nederland goed. Andere kikkers, padden en salamanders zijn veel zeldzamer.

 

Honkvast

“Over het algemeen kun je zeggen dat zowel amfibieën als reptielen honkvast zijn. Spot je er een, dan weet je zeker dat er meer in de buurt zijn. Let wel, ze laten zich niet zo makkelijk zien. Een groot deel van hun leven zitten deze dieren verscholen in het water of tussen de planten. Amfibieën kruipen in de winter zelfs onder de grond en veel reptielen zoeken een veilig onderkomen tussen boomwortels. Je trekt in elk geval de algemenere soorten aan op het moment dat je de omstandigheden in de omgeving geschikt maakt”, aldus André.

 

Win-win

Wat zijn die geschikte omstandigheden dan? André noemt schoon water, goed begroeide oevers, veel afwisseling in beplanting (bomen, bosschages, hogere en lagere planten) en specifiek voor amfibieën visvrije poelen en vijvers – vissen eten namelijk graag larfjes en kikkervisjes. Aan de hand van vier soorten geven we aan welke elementen je aan de omgeving kunt toevoegen en hoe je die elementen het best kunt beheren. Zo creëer je een uitnodigende leefomgeving. En niet alleen voor de betreffende soort, want deze elementen trekken ook andere kleine zoogdieren en insecten aan. Een win-winsituatie, dus.

 

Kleine watersalamander (amfibie)

Deze salamander kan overal overleven. Hij heeft schoon en visvrij water nodig, rijk aan waterplanten. De kleine watersalamander overwintert in een bosschage met een goede strooisellaag, onder bomen of tussen takkenrillen. Het is dan ook een goed idee om dikke, dode bomen te laten liggen of takken na het zagen op rillen te leggen. De kleine watersalamander, maar ook andere salamanders, de gewone pad, groene kikker en ringslang kruipen hiertussen om te overwinteren.

 

Zandhagedis (reptiel)

Deze beschermde soort kruipt uit zijn holletje, dat hij zelf in open, los zand graaft om in de zon op te warmen. Als hij warm genoeg is, gaat hij door de struikjes en het gras en relatief kruidachtige vegetatie op zoek naar insecten, spinnen en andere beestjes. Dat wil hij allemaal doen op minimale afstand van het hol, zodat hij bij onraad binnen een paar seconden weer veilig binnen zit. Het is dus duidelijk dat een zandhagedis veel afwisseling nodig heeft: dichte bosschages, maar ook open zand en gras, kruidenrijke beplanting met verschillende hoogtes en structuren om veilig verscholen op zoek te gaan naar eten.

 

NLadviseurs-zandhagedis

Deze zandhagedis is tussen de bladeren op zoek naar voedsel. Zijn menu bestaat vooral uit insecten. Foto: André Geelhoed

 

Ringslang (reptiel)

De ringslang komt voor in een waterrijke omgeving, vaak op zandgronden of op overgangen van zandgrond naar veen- en kleigrond. Deze slang wil water met prooien als amfibieën en vissen, en op het land moet hij zich kunnen verstoppen voor roofdieren als reigers en ooievaars. Dat betekent dat een goede oevervegetatie nodig is. Als riet gefaseerd gemaaid wordt, zijn de oevers altijd begroeid voor beschutting. Voor de winter zijn ook wat hogere delen nodig met voldoende bomen. In veenweidegebieden staat het water namelijk soms maar een halve meter onder het maaiveld. Op die droge plekken wil de ringslang tussen de boomwortels of takkenrillen schuilen en de winter doorkomen. Je helpt de ringslang enorm door het maken van broeihopen van takken, bladeren en riet, waar de slang haar eieren kan leggen. De hopen moeten op een zonnige en beschutte plek liggen, bijvoorbeeld langs dichte ruigte, een heg of een bosrand.

 

Rugstreeppad (amfibie)

Rugstreeppadden zijn afhankelijk van veenweidegebieden en zandgronden. Al komen ze vrij algemeen voor, snel zul je ze niet zien; ze houden zich goed verborgen tussen de planten. De rugstreeppad vraagt verschillende biotopen: open, zanderige grond om zich in te graven en relatief schone poelen in de zon. Het warme water is nodig voor de paddenvisjes, maar salamanders en padden laten zich met zonnig weer verder niet zien omdat ze anders kunnen uitdrogen. De oevers moeten niet te steil zijn en goed begroeid voor beschutting. Rugstreeppadden leggen hun eitjes namelijk in het water, maar kunnen slecht zwemmen. Ze moeten dus makkelijk uit het water kunnen kruipen.

 

NLadviseurs - rugstreeppad

De rugstreeppad zoekt warme watertjes op. Je herkent ‘m aan de gele streep op zijn rug. Foto: André Geelhoed

 

Ecosysteem

Als je eenmaal reptielen en amfibieën op je terrein hebt, hoe houd je daar dan rekening mee in het beheer? “Omdat het om beschermde soorten gaat, werk je volgens ecologische werkprotocollen”, legt André uit. “Wij kunnen per soort zo’n protocol opstellen, op basis van onderzoek naar wat er in de buurt voorkomt, welke plekken geschikt zijn voor beschermde soorten en hoe je die plekken beheert. In zo’n protocol staat bijvoorbeeld dat je sloten niet moet schonen in het voorjaar als amfibieën in hun kwetsbare periode zijn en net hun eieren in het water hebben afgezet. We geven ook aanwijzingen voor gefaseerd maaien. Werken volgens zo’n protocol betekent dat je je aan de Wet natuurbescherming houdt. Het is een werkwijze om te omarmen; je kunt immers trots zijn op de biodiversiteit en de waterkwaliteit die je hebt bereikt. Zo kom ik terug bij wat ik eerder zei. Elk terrein is onderdeel van een groter ecosysteem en daarmee kun je bijdragen aan een betere leefomgeving.”

Reptielen en amfibieën op de golfbaan

Op Golfbaan Kromme Rijn is een biotoop gemaakt voor ringslangen. De biotoop wordt ook als zodanig onderhouden en de ringslang heeft zich hier permanent gevestigd.
 

Op de Veluwse Golfclub laat de greenkeeper hout, dikke stammen en stobben in de bosvakken liggen om een geschikt leefgebied voor slangen te maken. Hier is zowel de gladde slang als de adder en de ringslang gezien.
 

Op de Kennemer Golf & Country Club leven zandhagedissen. Doordat op bepaalde stukjes grond opengemaakt is, kan daar het zand verstuiven. Dat trekt veel insecten, waar de hagedis van profiteert.
 

Op de Rosendaelsche Golfclub zijn zandpaadjes gemaakt waarover hazelwormen en zandhagedissen zich kunnen verplaatsen.
 

Slang op de baan

Is dat trouwens niet eng, een slang op de baan? André: “Nee, er is echt geen reden om dat eng te vinden. De adder is de enige giftige slang in Nederland, maar  heel schuw. Ik heb nog maar drie keer een adder gezien in mijn leven. En wat ringslangen betreft, die bijten niet als je ze aanraakt. Ze zijn passief agressief: ze rollen zich op hun rug en doen – met hun tong uit de bek – alsof ze dood zijn. Wel kunnen ze over je heen poepen en dat stinkt intens.”

Deel deze pagina

Gerelateerde berichten