Je bent hier: Home 5 Actueel 5 Gebiedsmonitoring: inzicht in natuurwaarden
Gebiedsmonitoring: inzicht in natuurwaarden

Wil je weten hoe het gaat met de dier- en plantensoorten in een gebied? Neemt de soortendiversiteit toe of juist af? Ontwikkelt de vegetatie zich zoals je voor ogen had met jouw beheeringrepen? En hebben aangelegde hagen, poelen of takkenrillen nieuwe soorten naar je gebied gelokt?

Gebiedsmonitoring geeft antwoord op dit soort vragen. De schaal en methodiek van het onderzoek verschillen per situatie, maar in de kern gaat het altijd over inzicht krijgen in wat er leeft en hoe dat leven zich ontwikkelt. Het systematisch in kaart brengen van flora en fauna kan verschillende doeleinden hebben: het voldoen aan wetgeving, het onderbouwen van beleid of het gericht sturen op beheer en biodiversiteitsontwikkeling. Monitoring is ook een belangrijke basis voor het delen van verhalen over de ontwikkelingen in een gebied. Zo zorgt monitoring voor draagvlak voor jouw project.

In dit artikel lees je:

  • Quickscan of gebiedsmonitoring, wat is het verschil?
  • Wat monitoringsplicht is en hoe je zorgt voor een heldere uitvraag;
  • hoe de onderzoeksvraag het type onderzoek bepaalt;
  • wat indicatorsoorten zijn;
  • wat soortenmonitoring inhoudt;
  • waarom onderzoek naar invasieve exoten belangrijk is;
  • wat het verschil is tussen vergelijkend en gebiedsspecifiek onderzoek;
  • welke onderzoeksopzetten passen op macro-, meso- en microniveau;
  • wat grootschalige monitoring concreet oplevert.

 

Ecoloog André Geelhoed stelt een wildcamera in.

Ecoloog André Geelhoed installeert een Struikrover cameraval. Deze cameraval is uitermate geschikt voor monitoring van kleine marterachtigen, zoals wezel en hermelijn.

Quickcan of gebiedsmonitoring, wat is het verschil?

Het meeste ecologische onderzoek wordt gedaan vanuit een juridische context in het kader van gebieds- en projectontwikkeling. Om een vergunningsaanvraag rond te krijgen voor een ruimtelijke ingreep, is het nodig te kijken wat de impact van de ingreep is op de beschermde plant- en diersoorten in het plangebied en de omgeving. Hiervoor wordt een ecologische quickscan gedaan. Als daaruit blijkt dat het project potentieel invloed heeft op beschermde soorten, wordt nader onderzoek gedaan. Het doel van dit soort onderzoek is om, naast het zo goed mogelijk beschermen van belangrijke natuurwaarden, een projectontwikkelaar of andere opdrachtgever inzicht te geven in wat wel en niet kan – en een vergunningstraject degelijk en soepel te laten verlopen.
Bij een gebiedsmonitoring is de achterliggende reden om onderzoek te doen heel anders. Daar gaat het over het verkrijgen van inzicht, bijvoorbeeld in de aantallen en ontwikkeling van soorten en eventueel hun gedrag, de effectiviteit van beheermaatregelen of de potentie die een gebied heeft voor de ontwikkeling van biodiversiteit.

Wat is monitoringsplicht en hoe zorg je voor een heldere uitvraag?

In sommige situaties is gebiedsmonitoring geen keuze, maar een verplichting. Europese richtlijnen, zoals de Kaderrichtlijn Water, en nationale richtlijnen, zoals het Besluit kwaliteit leefomgeving, vragen om structurele gegevens over de fysieke leefomgeving. Ook worden bestuiverpopulaties en andere ecologische indicatoren steeds vaker systematisch gevolgd. Zo kunnen verantwoordelijke bestuursorganen beoordelen of ze verplichte doelstellingen behalen. Dit soort trajecten lopen vaak langdurig en dat vraagt om een heldere onderzoeksopzet vooraf. Niet alleen voor de uitvoering, maar ook voor de aanbesteding. Een duidelijke uitvraag voorkomt interpretatieverschillen en verhoogt de kwaliteit van inschrijvingen. Daarmee leg je de basis voor consistente en betrouwbare data. Als ecologisch adviesbureau denken we vanaf het begin mee en helpen we bij het formuleren van een inhoudelijk sterke en realistische uitvraag.

Onderzoek naar bestuiverpopulaties is een onderdeel van de Europese Natuurherstel Verordening.

Hoe bepaalt de onderzoeksvraag het type onderzoek?

Je kunt een onderzoek zo uitgebreid maken als je wil, maar er is ook een afweging te maken over hoeveel tijd en middelen je inzet om te komen tot resultaten waar je wat mee kunt. Een goede onderzoeksopzet begint bij een scherpe vraag. Wanneer het beheer is gericht op het verbeteren van leefgebied voor weidevogels, wil je waarschijnlijk inzicht in aantallen broedparen, broedsucces en soortensamenstelling. Dat vraagt om herhaalbaar en soortgericht veldonderzoek.
Maar de vraag kan ook breder zijn, bijvoorbeeld: hoe staat het met de biodiversiteit binnen onze gemeente? Of: hoe ontwikkelen onze graslanden zich onder het huidige maai- en graasbeheer? Dan moet je bepalen welke soortgroepen je inventariseert, welke indicatoren representatief zijn en op welke schaal je meet. Soms gaat het om effectmeting, soms om prioritering van investeringen of beleidsontwikkeling. Het is de kunst om bij elke vraag een passende methodiek te kiezen. Onze ecologen kunnen je meenemen bij het maken van deze afwegingen.

Wat zijn indicatorsoorten?

Indicatorsoorten spelen een belangrijke rol bij een slimme onderzoeksopzet. Indicatorsoorten zijn soorten die sterk iets zeggen over de kwaliteit van hun leefomgeving. Hun aan- of afwezigheid vertelt iets over het grotere geheel. Amfibieën zijn bijvoorbeeld erg gevoelig voor milieuvervuiling. Als in een poel salamanders voorkomen, is dat dus een teken dat de waterkwaliteit goed is. Zit de poel echter vol bultkroos, dan wijst dat op een teveel aan meststoffen in het water, met name ammoniak. Er zijn nog veel meer indicatorsoorten die iets zeggen over de omgeving. Korstmossen reageren op luchtkwaliteit, terwijl toppredatoren inzicht geven in de beschikbaarheid van voedsel en de opbouw van het ecosysteem. Bepaalde plantensoorten kunnen wijzen op bodemverdichting of vermesting. Een slimme selectie van indicatorsoorten zorgt ervoor dat je niet een heel ecosysteem in kaart hoeft te brengen om iets te kunnen zeggen over de landschapskwaliteit. Door bewust te kiezen welke soorten of soortgroepen je volgt, ontstaat een onderzoek dat zowel efficiënt als inhoudelijk sterk is.

Salamanders zijn met hun sterk doorlaatbare huid heel gevoelig voor vervuilende stoffen. Daarmee zijn ze een belangrijke indicator voor waterkwaliteit.

Wat houdt soortenmonitoring in?

Soortenmonitoring vormt vaak de kern van gebiedsmonitoring. Daarbij wordt systematisch onderzocht welke soorten aanwezig zijn, in welke aantallen en eventueel hoe de soorten zich ontwikkelen in de tijd. Soortenmonitoring kan variëren van standaard vleermuismonitoring en broedvogeltellingen tot specialistisch onderzoek naar reptielen, vaatplanten, insecten of kleine zoogdieren. Door met vaste protocollen te werken en metingen te herhalen, worden trends zichtbaar. Goede soortenmonitoring vraagt om specialistische kennis. Waar plaats je bijvoorbeeld het beste wildcamera’s, hoe kies je een transect voor een vlindertelling en wat is de juiste periode voor onderzoek naar padden? Wat je ziet aan soorten, is afhankelijk van veel verschillende factoren, zoals het weertype en het seizoen. Als het koel en winderig is, vliegen er bijvoorbeeld nauwelijks insecten. Onder zulke omstandigheden onderzoek doen zou een vertekend beeld even. Niet alleen de onderzoeksvraag en het type onderzoek zijn dus bepalend voor de uitkomsten, maar vooral de kwaliteit van het veldwerk zelf. Voor elk type onderzoek (behalve zoutwaterecologie en zoetwatermacrofauna) hebben we kennis en uitrusting in huis.

Waarom is exotenmonitoring belangrijk?

Een specialistisch type soortenonderzoek is het onderzoek naar invasieve exoten. Invasieve exoten kunnen een grote impact hebben op de omgeving. Woekerplanten als de grote waternavel kunnen in zeer korte tijd een watergang overgroeien, met dramatische gevolgen voor de soortendiversiteit. Het in kaart brengen van populaties om haarden in toom te houden, is daarom noodzakelijk. Voor verschillende partijen, waaronder gemeenten en waterschappen, brengen we invasieve exoten in kaart. Hierbij focussen we ons met name op vegetatie, zowel op het land als in het water. Soorten als grote waternavel, waterteunisbloem, reuzenberenklauw en Japanse duizendknoop brengen we snel en overzichtelijk in beeld. Doordat we ook het water op kunnen, brengen we ook moeilijk begaanbare gebieden in kaart.

Wat is het verschil tussen vergelijkend en gebiedsspecifiek onderzoek?

Vergelijkend onderzoek is met name geschikt bij grotere arealen of wanneer meerdere terreinen, wijken of beheervakken onderling moeten worden afgewogen. Door gebieden op eenzelfde manier te beoordelen, wordt zichtbaar hoe ze ten opzichte van elkaar scoren. Dat maakt prioritering mogelijk: waar is de natuurkwaliteit al op orde en waar liggen de grootste kansen of knelpunten? Zeker bij gemeenten met veel verspreide groenstructuren helpt deze aanpak om snel inzichtelijk te maken waar het ‘laaghangend fruit’ zit.
Gebiedsspecifiek onderzoek past wanneer al bekend is waar je aan de slag wilt. De focus ligt dan niet op onderlinge vergelijking, maar op de kwaliteiten, beperkingen en ontwikkelkansen van één gebied. Dit type onderzoek is verdiepend van aard en geeft gerichte aanknopingspunten voor inrichting en beheer.

Welke onderzoeksopzetten passen bij macro-, meso-, en microniveau?

Als ecologisch adviesbureau zijn we betrokken bij beleidvorming en beheerplannen voor het versterken van biodiversiteit. Om hierop te kunnen sturen, stellen gemeenten en andere beherende organisaties steeds vaker de vraag hoe je inzichtelijk maakt wat de natuurwaarden in een gebied zijn. De keuze voor een onderzoeksopzet hangt daarbij samen met zowel de aard van het onderzoek, als de omvang van het te onderzoeken areaal. Hieronder lees je over monitoring op verschillende schaalniveaus, waarbij zowel vergelijkend als gebiedsspecifiek onderzoek wordt uitgelicht.

Macroniveau: het landschap als geheel

Het is best lastig om natuurwaarden in kaart te brengen voor grote arealen. Eén van de methoden die hiervoor is ontwikkeld is BKN, maar er zijn ook andere manieren om grote oppervlakten te monitoren. BKN richt zich op het in kaart brengen van natuur buiten natuurgebieden, bijvoorbeeld in agrarisch of stedelijk gebied. Het idee is dat je kijkt welke voorwaarden nodig zijn voor algemene soorten als de egel en de merel om zich te kunnen vestigen en handhaven. Want helaas zijn zelfs de meest algemene soorten verdwenen uit onze landschappen.

BKN neemt zowel biotische als abiotische factoren mee voor het bepalen van de landschapskwaliteit. Het onderzoek dat wordt gedaan is een combinatie van veldwerk en data-analyses uit bestaande databases, zoals de NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna). Bodem, water, drukfactoren in het milieu, de aan- of afwezigheid van landschapselementen, en flora en fauna tellen mee in de beoordeling. Landgebruik en stakeholders in een gebied worden ook bekeken. De methode is daarom ook goed toepasbaar voor gemeentes die stakeholders willen betrekken bij het revitaliseren van het landschap. Per deelgebied kan een score worden gegeven. Zo biedt de onderzoeksmethode gelijk al aanknopingspunten voor te nemen acties. Als beleidsmaker krijg je inzicht in welke gebieden extra aandacht vragen en welke gebieden al voldoen. De minimale schaal waarop BKN wordt beoordeeld, gaat van enige hectaren tot 100 hectare (1 km2). Als je fijnmaziger of gerichter aan de slag wilt, zijn andere onderzoeksopzetten waarschijnlijk passender.

Basiskwaliteit natuur in 5 stappen

Basiskwaliteit natuur in 5 stappen (Bron: Vogelbescherming Nederland


Waar deden we dit?

  • We hebben BKN toegepast in verschillende casussen. Zo hielpen we Gemeente Hardenberg bij het in kaart brengen van de héle gemeente (qua oppervlak zo’n 320 km2).
  • Voor de Waterleidingmaatschappij Drenthe brachten we de natuurwaarden in kaart voor alle waterwingebieden en overige locaties. In totaal ging het om bijna 860 hectare verdeeld over 27 locaties. Die data hebben we gebruikt om voor een deel van de waterwingebieden een inrichtingsplan op te stellen om de biodiversiteit te verhogen. Doordat we zowel betrokken zijn bij het verzamelen van de data als het maken van verbeterplannen, bouwen we veel kennis op over een gebied, en kunnen we verzamelde data optimaal vertalen naar een slim inrichtings- en beheerplan.
  • De aanpak die we hebben ontwikkeld voor landschapspark Lingezegen is een voorbeeld van een grootschalige, niet-vergelijkende monitoring zonder gebruik te maken van het BKN raamwerk. Lingezegen is een uitgestrekt park met een oppervlak van 1700 hectare. Het strekt zich uit van het zuidelijkste puntje van Arnhem tot aan het meest noordelijke puntje van Nijmegen. In dit landschapspark verzorgen we al 3 jaar lang soortenmonitoring. Het eerste jaar werd een 0-meting gedaan, de jaren erna is gerichter gekeken naar de ontwikkeling van soorten en gebieden. In het park is namelijk ruimte voor allerlei soorten gebiedsontwikkeling. Zo worden er voedselbossen aangeplant, pocketparken met poelen aangelegd en worden speciale habitats ontwikkeld voor kwetsbare soorten als de kamsalamander en de patrijs. Soortenmonitoring helpt de beheerders om de effectiviteit hiervan te toetsen, maar ook om aan te tonen dat de fondsen voor het bevorderen van biodiversiteit goed worden ingezet.

 

Voor Landschapspark Lingezegen werden allerlei soortgroepen in kaart gebracht, waaronder vleermuizen.

Mesoniveau: bermen, graslanden en beheervakken binnen een hele gemeente

Voor gemeenten kan het ook interessant zijn om zich alleen te richten op de eigen arealen. Dan heeft BKN vaak een te ruime opzet. Het is ook mogelijk om enkel naar de eigen beheervakken te kijken. Vegetatieopnamen kunnen inzicht geven in de ontwikkeling van grasland of bermen. Hiervoor zijn verschillende onderzoeksmethoden ontwikkeld, zoals die van Bax-Schippers, waarbij je inzicht krijgt in de waarde van cultuurgrasland.
De door ons ontwikkelde methodiek Basiskwaliteit Groenbeheer is een ecologische onderzoeksmethodiek waarmee je de randvoorwaarden voor biodiversiteit in openbaar groen kwantificeert en gericht verbetert. Het proces start met een nulmeting van elk beheervak op basis van bestaande data en eventueel veldwerk. Per vak worden zeven kwalitatieve en kwantitatieve criteria beoordeeld. Er wordt gekeken naar de soortenvariatie, aanwezigheid van inheemse soorten, omvang, structuur, verbinding met ander groen, voedselvoorziening en voortplantingsmogelijkheden. Hier wordt een score aan gegeven op een schaal van 1 tot 5. Deze multicriteria-analyse laat zien hoe de condities nu zijn én waar kansen liggen om ze te versterken. De uitkomsten worden visueel gemaakt, bijvoorbeeld met kaarten en diagrammen en gekoppeld aan concrete maatregelen. Daarmee biedt de methodiek een strategische basis om biodiversiteit te verbeteren en de effecten van beheeracties te monitoren.

 

Waar deden we dit?

  • Voor de gemeente Schouwen-Duiveland brachten we de kwaliteit van alle groenbeheervakken in beeld. Beleidsmakers hebben nu een duidelijke score op vlak van biodiversiteit en natuurpotentie van al het groen in eigen beheer. Hiermee kunnen gericht plannen opgesteld worden om het gemeentegroen op te waarderen.
  • Gemeente Amersfoort wilde graag weten hoeveel budget nodig is voor het ecologisch bermbeheer. Daarom brachten we de vegetatie van alle bermen in kaart. Door een duidelijk overzicht van soorten in de berm, kon de ideale maaifrequentie en het maaitijdstip worden bepaald. Een sterk verruigde berm maai je bijvoorbeeld vaker dan eentje waar de kruidenrijke vegetatie goed is ontwikkeld. Zo konden de kosten van het maaibeheer met precisie geraamd worden. In eerste instantie lijkt ecologisch onderzoek en bermbeheer misschien een kostenpost, maar doordat je door goed maaibeheer steeds soortenrijkere bermen krijgt, die je minder vaak hoeft te maaien, is het een waardevolle stap.
  • Gemeente Arnhem had een vraag over de ontwikkeling van graslanden die ze in beheer heeft. Had het maai- en graasbeheer het beoogde effect? Hiervoor werd een graslandmonitoringsproject opgezet volgens de methode Bax-Schippers. Met deze methode kijk je naar de samenstelling van de vegetatie en bepaal je in welke fase het cultuurgrasland zit. Er zijn vijf fases. Van ingezaaid raaigras met nul ecologische waarde tot het summum: bloemrijk schraalland. Monitoring is handig als je wilt weten of je beheermaatregelen effect hebben. Wordt het grasland soortenrijker? Of is de boel juist aan het verruigen? Dat soort vragen kun je met deze aanpak goed beantwoorden.
Monitoring door ecoloog André

Met de methodiek basiskwaliteit Groenbeheer worden snel en effectief alle gemeentelijke beheervakken in kaart gebracht.

Microniveau: het afgebakende terrein

Als je een afgebakend gebied of project hebt en weet waar je aan de slag wilt, dan is gebiedsspecifiek onderzoek passend. Dat richt zich op de kwaliteiten en ontwikkelkansen van een gebied zelf. Vergelijking met andere gebieden om een prioritering te kunnen maken is dan niet nodig. Wel kun je met soortenmonitoring meten wat de impact is van bepaalde activiteiten of beheeringrepen. Ook kunnen we deze meting doen aan de hand van habitateisen. Dan kijk je, net als bij BKN, naar de randvoorwaarden voor soorten om zich te kunnen vestigen. Is er bijvoorbeeld genoeg voedsel en schuilgelegenheid voor vogels of insecten in het gebied? Met een heldere ecosysteemschets kunnen we het gelijk visueel maken. Zo krijg je op verschillende manieren zicht op biodiversiteit. Deze kennis kan gebruikt worden voor het opstellen van doelen en acties.

Waar deden we dit?

  • Dit doen we voor golfbanen door heel Nederland. Bijvoorbeeld voor Bernardus Golf, om de effectiviteit van beheermaatregelen te toetsen en ecologisch beheer optimaal te kunnen sturen.
  • Voor de bedrijventerreinen van Achmea brachten we in kaart welke soorten voorkwamen in de omgeving, en hoe de terreininrichting verbeterd kon worden, zodat zoveel mogelijk soorten een plek vinden op het terrein.
  • Voor de Fashion Farm van Joline Jolink maakten we een ecosysteemschets, waarbij we de samenhang lieten zien van de boerderij met de omgeving. Ook brachten we in beeld hoe de landschapselementen op de boerderij bijdragen aan de soortendiversiteit en hoe dit nog verder geoptimaliseerd kan worden.

Op de Fashionfarm van modeontwerper Joline Jolink wordt gewerkt aan duurzame productieprocessen. Op het terrein is veel aandacht voor biodiversiteit.

Wat heb je aan de data die voortkomt uit zo’n grootschalige inventarisatie?

Je hebt misschien tussen de regels door al kunnen lezen wat redenen kunnen zijn om een grootschalig monitoringsproject op te zetten. Een deel komt voort uit juridische verplichtingen, zoals bij het doen van ruimtelijke ingrepen of de monitoringsplicht van overheidsinstanties. Een andere belangrijke reden is het managen van invasieve exoten. Maar de meerwaarde van monitoring komt het best naar voren bij het afstemmen en optimaliseren van inrichting en beheer én bij het vertellen van het verhaal van het belang van goed landschapsbeheer en biodiversiteit. Door ontwikkelingen in kaart te brengen, zie je het effect van je handelen. Dit geeft niet alleen nuttige feedback op je werk, maar voegt ook waarde toe voor de mensen die dagelijks bezig zijn om het landschap op te waarderen. Ineens heb je op papier staan dat door jouw ingrepen in het maaibeheer de diversiteit aan kruiden in de berm enorm is toegenomen. Of dat door jouw ingrepen de ringslang zich weer voortplant in je projectgebied. Door dit soort succesverhalen te delen met bijvoorbeeld omwonenden, klanten en opdrachtgevers, ontstaat een stevige onderbouwing van het belang van landschapsherstel.

Gerelateerde berichten

Routekaart: wegwijzer naar een biodiverse gemeente

Routekaart: wegwijzer naar een biodiverse gemeente

Biodiversiteit staat steeds vaker op de agenda van gemeenten. Terecht, want de uitdagingen zijn groot en urgent. De rol van gemeenten weegt zwaar, want zij staan letterlijk het dichtst bij de leefomgeving van bewoners. Juist daar zijn de gevolgen van gebrek aan groen...

Lees meer
Boombeheer: 5 praktische tips

Boombeheer: 5 praktische tips

Nederland heeft (meer) bomen nodig. Om te verkoelen en ontspannen, de gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan en onze biodiversiteit te versterken. Onze boomexperts stelden de onderstaande 5 praktische tips op die helpen bij het maken van de juiste keuzes rondom...

Lees meer

Kennismaken?

Benieuwd hoe je duurzaam groen kunt ontwikkelen of hoe natuurontwikkeling er in de praktijk uitziet?
We denken graag mee, geven ecologisch advies en nemen (veel) werk uit handen.